
Definitie:
Het signaal „weg daar“ moet de hond duidelijk maken dat hij van ondergrond moet wisselen, bijvoorbeeld uit het struikgewas terug op het pad.
Opbouw:
Kies in het begin een pad waarbij de ondergrond duidelijk verschilt van de ondergrond links en rechts ervan, bijvoorbeeld een grindpad met aan beide kanten een groene strook.
Zodra de hond het pad verlaat, roep je zijn naam en „weg daar“ en beweeg je je tegelijkertijd duidelijk naar de andere kant van het pad.
Betreedt je hond opnieuw het pad, dan markeer en beloon je hem.
Reageert je hond niet, kies dan een gebied met minder afleiding.